PDF

Planologische regeling agrarische bouwkavels in buitengebied

Tot voor kort kenmerkten bestemmingsplannen Buitengebied zich veelal door royale agrarische bouwkavels, die volop ruimte boden aan de verdere uitbouw van de betreffende agrarische bedrijven. Daarenboven boden binnenplanse flexibiliteitsinstrumenten in de vorm van ontheffings- en wijzigingsbevoegdheden uitkomst ingeval alle rechtstreekse uitbreidingsmogelijkheden binnen de bouwkavel waren benut. Agrarische bouwkavels tot 1,5 ha waren geen uitzondering en binnenplans vaak nog te vergroten naar 2 of zelfs 2,5 ha. Inmiddels zijn de royale agrarische mogelijkheden in veel gemeenten verleden tijd, onder meer als gevolg van strengere milieu- en natuurbeschermingswetgeving. In dit artikel wordt op die ontwikkeling ingegaan. Ook wordt aandacht gevraagd  voor een zorgvuldig proces om te komen tot een nieuwe planologische regeling met noodzakelijkerwijs minder royale agrarische mogelijkheden.

 

Ruimtelijke kwaliteit en bouwkavel op maat

Een eerste kentering ontstond ten gevolge van de groeiende aandacht voor de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied. De nadruk lag niet langer uitsluitend op het agrarisch belang. Nieuwe economische dragers, in de vorm van recreatieve en ambachtelijke bedrijfsfuncties, en burgerwoningen deden hun intrede en vroegen en passant om meer aandacht voor de ruimtelijke kwaliteit. Bepalend voor die ruimtelijke kwaliteit waren vooral de aanwezige natuur- en landschapswaarden. Voor de agrarische bedrijven had dit tot gevolg dat niet langer royale bouwkavels konden worden toegekend. De ‘bouwkavel op maat’ deed zijn intrede. De agrarische bouwkavel werd afgestemd op de feitelijk aanwezige bedrijfsactiviteiten (bestaande bebouwing, verharding, opslag). Toekomstige uitbreiding van de bouwkavel bleef wel mogelijk, maar dan alleen in combinatie met ruimtelijke kwaliteitsverbetering in het buitengebied. Landschappelijke inpassing en de ontwikkeling van nieuwe natuur werden de belangrijkste middelen om hierin te voorzien.

 

Natuurbescherming en passende beoordeling

Voortvloeiend uit Europese regelgeving zijn en worden in Nederland gebieden met hoge natuur- en landschapswaarden aangewezen tot Natura 2000-gebied. Milieuwetgeving (Natuurbeschermingswet en Wet milieubeheer) verplicht tot het uitvoeren van een ‘passende beoordeling’ (in combinatie met een milieueffectrapportage) om de gevolgen van plannen, zoals een bestemmingsplan, voor Natura 2000-gebieden in beeld te brengen.

Uitbreiding van agrarische bedrijven, in het bijzonder veehouderijen, kan zonder nadere maatregelen leiden tot een hogere stikstofdepositie in daarvoor gevoelige Natura 2000- gebieden. Uitbreiding van recreatieve bedrijven kan leiden tot een hogere mate van betreding van verstoringsgevoelige gebieden. Een passende beoordeling moet duidelijk maken of sprake is van negatieve effecten op de Natura 2000-gebieden en of deze significant zijn. Bestemmingsplannen kunnen nog slechts vastgesteld worden als vast staat dat geen significant negatieve effecten zullen optreden.

Recent uitgevoerde passende beoordelingen laten zien dat er in Nederland maar zeer beperkt ruimte is voor uitbreiding van activiteiten in het buitengebied. In veel gevallen zijn generiek alleen de bestaande activiteiten in een bestemmingsplan vast te leggen. In individuele gevallen kan maatwerk uitkomst bieden om toch uitbreiding mogelijk te maken.

 

Beheersplan met beperkte ontwikkelingsmogelijkheden

Per saldo lijkt het bestemmingsplan Buitengebied (of de beheersverordening of het omgevingsplan) toch vooral een beheersplan te moeten worden met beperkte ontwikkelingsmogelijkheden. Ontwikkelingen van substantiële omvang zullen steeds door middel van een plan op maat mogelijk gemaakt moeten worden. Daarbij zullen ook steeds de consequenties voor natuur (passende beoordeling) en landschap (ruimtelijke kwaliteitsverbetering) beoordeeld moeten worden.

 

Beleidsomslag communiceren

Ondernemers in het buitengebied beschikken vaak van oudsher nog over (ruime) planologische uitbreidingsmogelijkheden.  Op basis van recente wet- en regelgeving en recent beleid kunnen die in veel gevallen niet meer in een nieuw bestemmingsplan (of beheersverordening of omgevingsplan) meegenomen worden. Voor de agrarische ondernemers heeft dit grote consequenties, omdat dit betekent dat de zekerheid, die zij tot voor kort hadden, om hun bedrijfsbebouwing uit te kunnen breiden, komt te vervallen.

Het vroegtijdig communiceren van de gemaakte beleidsomslag, geeft de agrarische ondernemers de gelegenheid zich op de veranderende mogelijkheden voor te bereiden. Door de beleidsomslag in een door de raad of b en w vast te stellen uitgangspuntennotitie voor een nieuwe planologische regeling vast te leggen, wordt voorkomen dat deze pas in het kader van bijvoorbeeld een nieuw bestemmingsplantraject manifest wordt. Agrarische ondernemers met concrete plannen op basis van de vigerende planologische regeling, hebben dan nog de tijd om hiervoor de benodigde omgevingsvergunning te verkrijgen en tot realisering van hun plannen te komen.

En passant  wordt met het vroegtijdig communiceren van het nieuwe beleid aangaande de (agrarische) bouwkavel, het planschaderisico voortkomend uit de nieuwe planologische regeling aanzienlijk verkleind. De strakkere nieuwe regeling was immers op basis van de eerder gecommuniceerde uitgangspuntennotitie al te voorzien. Het is dan wel zaak om voldoende tijd tussen het communiceren van de notitie en het opstarten van de procedure van de nieuwe planologische regeling te laten verstrijken. Wat een voldoende termijn is hangt af van de specifieke situatie, zoals de aard en omvang van de te vervallen mogelijkheden. In de regel wordt een termijn van een jaar voldoende geacht, maar afhankelijk van het specifieke geval kan ook een kortere of langere termijn gehanteerd worden.

 

Nieuwe planologische regeling vraagt zorgvuldige planning

Het zorgvuldig omgaan met de belangen van de ondernemers in het buitengebied, bij het vertalen van actueel beleid in een nieuwe planologische regeling, vraagt om een zorgvuldige planning. Het te doorlopen traject, inclusief het opstellen en vastleggen van de uitgangspuntennotitie, moet voldoende ruimte bevatten om concrete plannen nog om te kunnen zetten in een omgevingsvergunning en om een afdoende voorzienbaarheid in het geval van planschadeclaims te creëren.