Voorzienbaarheid bij planschade en nadeelcompensatie

Voorzienbaarheid bij planschade en nadeelcompensatie

De jurisprudentie over planschade en nadeelcompensatie is de laatste tijd in beweging.
Op 28 november 2012 heeft de Afdeling (hierna Ab), nr. 201202309/1/A2, een interessante uitspraak gedaan over voorzienbaarheid.

De hoofdregel bij planschade en nadeelcompensatie is dat schade die voorzienbaar is op het moment van aankoop van het onroerend goed, dan wel investering in een onderneming, niet voor vergoeding in aanmerking komt. Voorzienbaarheid kan volgens vaste jurisprudentie worden afgeleid uit een concreet beleidsvoornemen dat openbaar is gemaakt, waarbij niet is vereist dat een dergelijk beleidsvoornemen een formele status heeft. In de jurisprudentie is ook geaccepteerd dat een ruimtelijke ontwikkeling gedeeltelijk voorzienbaar kan zijn.

In voornoemde uitspraak van 28 november 2012 over een nadeelcompensatiezaak inzake de Randweg Eindhoven oordeelt de Ab het volgende over voorzienbaarheid:

“Niet in geschil is dat in paragraaf 4.4 van de Startnotitie trajectstudie/milieueffectrapportage Tangenten Eindhoven van mei 1994 negen alternatieven voor verbetering van de weginfrastructuur in de omgeving van Eindhoven zijn beschreven en dat die alternatieven alle een concreet beleidsvoornemen tot verbreding van de A2 ter hoogte van de woonwijk van [wederpartij] inhouden. Dat die alternatieven niet eenzelfde mate van verbreding van de A2 inhouden, laat onverlet dat [wederpartij] bij de aankoop van de woning, als redelijk denkend en handelend koper, rekening had behoren te houden met de kans dat bij het vast te stellen tracébesluit voor één van de voor zijn woongenot meest ongunstige alternatieven zou worden gekozen. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de planologische wijziging voor [wederpartij] geheel voorzienbaar was en de schadevergoeding niet op een te laag bedrag is vastgesteld.”

Het voorgaande betekent aldus dat volledige voorzienbaarheid moet worden aangenomen wanneer in een openbaar bekend gemaakt beleidsvoornemen een aantal alternatieven wordt beschreven, waarvan er één ongunstig uitpakt voor verzoeker. De Ab gaat mee in het standpunt van de Minister van Infrastructuur en Milieu dat gedeeltelijke voorzienbaarheid in onderhavig geval niet aan de orde is.
Bij aankoop van een woning of een investeringsbeslissing dient een redelijk denkend en handelend koper dus uit te gaan van de kans dat het meest ongunstige alternatief wordt uitgevoerd, wanneer dit behoort tot de voorzienbare opties

Onderhavige jurisprudentielijn is overigens niet geheel nieuw. Reeds in een drietal samenhangende Afdelingsuitspraken van 22 april 2009 (nrs. 200807292/1/H2, 200807297/1/H2 en 200807301/1/H2) werd geoordeeld dat, nu een woonwijk tegenover de woning van verzoeker voorzienbaar was op basis van een structuurschets, ook rekening moest worden gehouden met de mogelijkheid dat de ontsluitingsweg van deze wijk nabij verzoeker zou worden aangelegd, alhoewel deze weg niet stond vermeld in de structuurschets.
“De Structuurschets dient te worden beschouwd als een algemeen beleidskader tegen de achtergrond waarvan toekomstige plannen bekeken dienen te worden en biedt in dit geval voldoende inzicht in de aard, omvang en situering van de toekomstige woonlocatie. Een redelijk denkend en handelend koper kan er evenwel niet van uitgaan dat de Structuurschets een nauwkeurige uitwerking van de toekomstige invulling van het gebied behelst. De uiteindelijke invulling kan dan nog op verschillende punten anders worden. Derhalve kan aan de schets niet, zoals [appellant sub 2] heeft gesteld, een verwachting worden ontleend omtrent specifieke elementen, zoals in dit geval de locatie van de ontsluitingsweg en de benutting van de Dorpsstraat. Het ligt voor de hand dat een woonwijk ontsloten moet worden, zodat een redelijk denkend en handelend koper er niet zonder meer van mag uitgaan dat de ontsluitingsweg niet op de gronden naast zijn perceel zal worden aangelegd. Te minder niet in dit geval waar op de gronden naast het perceel van [appellant sub 2] in het verleden een landbouwweg was gesitueerd en de Dorpsstraat op de bij de Structuurschets behorende kaart is gemarkeerd als “concentratie van functies”. De raad heeft zich derhalve op het standpunt mogen stellen dat ook met de aanleg van de ontsluitingsweg direct ten zuiden van de woning van [appellant sub 2] ten tijde van de aankoop daarvan rekening diende te worden gehouden en derhalve sprake was van voorzienbaarheid op dit punt. De rechtbank heeft dat niet onderkend. Het betoog slaagt derhalve.”
De hiervoor beschreven jurisprudentielijn gaat de richting op dat voorzienbaarheid zich niet hoeft te uiten in een concrete ruimtelijke ontwikkeling. Een reële kans op een ruimtelijke ontwikkeling is dan reeds voldoende om volledige voorzienbaarheid aan te nemen. Hierdoor lijkt de ruimte voor het aannemen van gedeeltelijke voorzienbaarheid steeds kleiner te worden.
Gedeeltelijke voorzienbaarheid wordt echter in de jurisprudentie nog steeds aangenomen en met name in gevallen waarin een ruimtelijke ontwikkeling weliswaar voorzienbaar was, maar deze in de nieuwe situatie aanzienlijk wordt uitgebreid: zie bijvoorbeeld Ab d.d. 3 maart 2010, nr. 200905785/1/H2.

Helemaal helder is de lijn in de jurisprudentie ten aanzien van voorzienbaarheid en gedeeltelijke voorzienbaarheid bij planschade en nadeelcompensatie op dit moment nog niet. Duidelijk is wel dat de mate van concreetheid bij voorzienbaarheid steeds ruimer wordt geïnterpreteerd.
Iedere schadebeoordeling vereist een individuele afweging inzake de voorzienbaarheid aan de hand van de omstandigheden van het geval, maar het zou handig zijn als de Ab in verdere uitspraken wat meer richtlijnen geeft ten aanzien van de (gedeeltelijke) voorzienbaarheid bij planschade en nadeelcompensatie.
Tonnaer houdt u op de hoogte van de laatste ontwikkelingen en neemt vanzelfsprekend voorgaande jurisprudentie bij de advisering omtrent planschade en nadeelcompensatie in acht.