Stikstofdepositie en bestemmingsplan

Ten aanzien van stikstofdepositie blijkt uit een uitspraak van 1 april 2015 (ABRvS 1 april 2015, nr. 201311647/1/R2) dat de autonome afname van stikstofdepositie mag worden betrokken bij de passende beoordeling bij een bestemmingsplan.

 

In ABRvS 1 april 2015, nr. 201402973/1/R3 geeft de Afdeling meer duidelijkheid over de uitleg van artikel 19 kd, lid 1 aanhef en onder b van de Natuurbeschermingswet 1998. Daaruit volgt dat dit artikel (op grond waarvan een passende beoordeling achterwege kan blijven als er per saldo geen toename van stikstofdepositie plaatsvindt) alleen mag worden toegepast in de situatie waarbij maatregelen op het eigen bedrijf worden genomen (zogenoemde interne saldering). De Afdeling past deze bepaling zoveel mogelijk conform de Habitatrichtlijn toe. De Afdeling overweegt in r.o. 2.6 als volgt:

 

In verband met het standpunt van het college dat het plan dezelfde bouwmogelijkheden voor stallen biedt als het voorheen geldende plan en daarom niet voorziet in een toename van stikstofdepositie ziet de Afdeling zich geplaatst voor de vraag hoe artikel 19kd van de Nbw 1998 zich verhoudt tot artikel 19j van de Nbw 1998, waarin het derde lid van artikel 6 van de Habitatrichtlijn voor plannen is geïmplementeerd. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling inzake artikel 19j van de Nbw 1998, bijvoorbeeld de uitspraak van 5 december 2012, in zaak nr. 201109053/1/R2, volgt dat voor de beoordeling van de vraag of een plan leidt tot significante gevolgen moet worden uitgegaan van de feitelijke situatie ten tijde van de vaststelling van het plan als referentiekader. De Afdeling ziet in de wijziging van artikel 19kd van de Nbw 1998 geen aanleiding om van deze jurisprudentie af te wijken. Daarbij is van belang dat oordeel dit niet in strijd is met de tekst van artikel 19kd van de Nbw 1998. Voorts dient deze bepaling volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie, in onder meer het arrest van 24 januari 2012, in zaak C-282/10, Maribel Dominguez, ECLI:EU:C:2012:33 (punten 24 en 25), zoveel mogelijk conform de Habitatrichtlijn te worden geïnterpreteerd om de werking van de richtlijn te verzekeren. Het nemen van de feitelijke situatie ten tijde van de vaststelling van het plan als uitgangspunt doet recht aan het derde lid van artikel 6 van de Habitatrichtlijn. Overigens vindt de Afdeling hiervoor ook steun in de brief van de minister van Infrastructuur en Milieu van 2 juli 2013 (kenmerk DGNR-PDJNG / 13114907), waarin de Tweede Kamer wordt geïnformeerd over de interpretatie van artikel 19kd van de Nbw 1998. In deze brief staat dat met artikel 19kd van de Nbw 1998 is beoogd vast te leggen onder welke voorwaarden de stikstofaspecten van een plan in het kader van de plantoets niet opnieuw beoordeeld hoeven te worden, overeenkomstig de jurisprudentie van de Afdeling. Artikel 19kd van de Nbw 1998, zo staat in de brief, moet ten aanzien van plannen overeenkomstig deze vaste jurisprudentie worden toegepast. Derhalve dient te worden bezien of de in het wijzigingsplan voorziene uitbreiding van de veehouderij ten opzichte van de feitelijke situatie significante gevolgen kan hebben.

 

Ook in ABRvS 1 april 2015, nr. 201308952/1/R3 wordt vergelijkbaar op de verhouding tussen artikel 19kd en 19J Nbw ingegaan en wordt een richtlijnconforme interpretatie toegepast.