Overgangsrecht planschade en toepassing normaal maatschappelijk risico als forfait van 2% niet geldt

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft op 29 februari 2012 (nr. 201104750/1/A2) een interessante uitspraak gedaan met betrekking tot de invulling van het normaal maatschappelijk risico voor die gevallen waarin krachtens het overgangsrecht het forfait van 2% niet geldt. Hieronder wordt daar op ingegaan.

Overgangsrecht planschade

Sinds de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) op 1 juli 2008 geldt bij het leerstuk van planschade dat er een normaal maatschappelijk risico geldt. Hierdoor blijft (een deel van) de schade voor rekening van de aanvrager. In artikel 6.2, lid 1 Wro is immers vastgelegd dat binnen het normaal maatschappelijk risico vallende schade voor rekening van de aanvrager blijft. Artikel 6.2, lid 2 Wro kleurt dit nog verder in doordat is vastgelegd dat een forfait van 2% van de geleden inkomensderving of waardevermindering voor rekening van de aanvrager blijft.

In de Invoeringswet Wro (artikel 9.1.18) is overgangsrecht opgenomen met betrekking tot de nieuwe regeling van planschade. Aanvragen om planschadevergoeding die zijn ingediend vóór de inwerkingtreding van de Wro op 1 juli 2008 en aanvragen met betrekking tot planologische besluiten die onherroepelijk zijn geworden vóór 1 september 2005 worden nog afgehandeld op grond van het oude regime van artikel 49 WRO. Deze aanvragen konden nog tot 1 september 2010 worden ingediend. Aanvragen die ná 1 juli 2008 zijn ingediend en betrekking hebben op planologische besluiten die ná 1 september 2005 onherroepelijk zijn geworden, moeten worden gebaseerd op artikel 6.1 Wro.

Krachtens het tweede lid van artikel 9.1.18 Invoeringswet Wro is het forfait maatschappelijk risico van 2%, dat is opgenomen in artikel 6.2, lid 2 Wro, niet van toepassing tot 1 september 2010 voor aanvragen die betrekking hebben op schade die vóór de inwerkingtreding van de Wro (1 juli 2008) is ontstaan.

Jurisprudentie: normaal maatschappelijk risico wél van toepassing, forfait 2% niet

In de uitspraak is overwogen dat, omdat het besluit dat de gestelde schade zou hebben veroorzaakt in de periode tussen 1 september 2005 en 1 juli 2008 in werking is getreden en de aanvraag om tegemoetkoming in planschade in de periode tussen 1 juli 2008 en 1 september 2010 is ingediend, artikel 9.1.18 van de Invoeringswet Wro met zich brengt dat artikel 6.2, lid 1 Wro op de aanvraag van toepassing is. Derhalve blijft binnen het normale maatschappelijke risico vallende schade voor rekening van de aanvrager. Dat artikel 6.2, lid 2, onder b, van de Wro niet op de aanvraag van toepassing is, doet daaraan niet af. Met andere woorden, de toets aan het normaal maatschappelijk risico van artikel 6.2, lid 1 Wro moet worden uitgevoerd, maar het forfait maatschappelijk risico van 2% van artikel 6.2, lid 2 Wro is niet toepasselijk.

In de uitspraak geeft de Afdeling ook aan hoe dat normaal maatschappelijk risico dan moet worden vastgesteld. De Afdeling geeft aanknopingspunten voor het antwoord op de vraag wat onder het normaal maatschappelijk risico moet worden verstaan. De vraag of schade als gevolg van een planologische ontwikkeling tot het normale maatschappelijke risico behoort, moet worden beantwoord met inachtneming van alle van belang zijnde omstandigheden van het geval. Van belang is onder meer of de planologische ontwikkeling als een normale maatschappelijke ontwikkeling kan worden beschouwd waarmee de benadeelde rekening had kunnen houden in die zin dat die ontwikkeling in de lijn der verwachtingen lag, ook al bestond geen concreet zicht op de omvang waarin, de plaats waar en het moment waarop deze ontwikkeling zich zou voordoen. Omstandigheden die in acht worden genomen zijn verder de aard van de maatregel en de aard en de omvang van het daardoor veroorzaakte nadeel.

In de uitspraak heeft de Afdeling deze ‘formule’ natuurlijk ook toegepast op de praktijk. Het college van burgemeester en wethouders had vrijstelling verleend van het bestemmingsplan ten behoeve van de bouw van een vrijstaande woning met garage/berging. In de directe omgeving van de bouwlocatie is uitsluitend sprake van percelen met een woonbestemming. Het bouwplan past volgens de Afdeling goed in het karakter van de buurt, de locatie behoort tot het dorpse woonmilieu. Geconcludeerd werd dat de ontwikkeling aansluit op de plaatselijke situatie en dat het bouwplan in overeenstemming is met het ruimtelijke beleid van de gemeente. Gezien de afmetingen van het object, de onder de ter plaatse geldende bestemmingsplannen reeds bestaande bouwmogelijkheden en de afstand tot de woning, zal ter plaatse géén grote aantasting van de bestaande stedenbouwkundige structuur en van het woonklimaat plaatsvinden. Daarnaast is inbreiding van woningen in een bestaande woonkern een normale maatschappelijke ontwikkeling. Onder deze omstandigheden lag de planologische wijziging in de lijn der verwachtingen. Daarbij komt dat de gestelde schade relatief gering van omvang is. De conclusie is dan ook dat de gestelde schade binnen het normale maatschappelijke risico valt en dus voor rekening van de aanvrager blijft.

Conclusie

Aanvragen die ná 1 juli 2008 zijn ingediend en zien op planologische besluiten die ná 1 september 2005 onherroepelijk zijn geworden, vallen onder het toepassingsbereik van artikel 6.1 Wro. Het forfait maatschappelijk risico van 2% is niet van toepassing tot 1 september 2010 voor aanvragen die betrekking hebben op schade die vóór de inwerkingtreding van de Wro is ontstaan. In deze gevallen moet wél worden getoetst aan het normaal maatschappelijk risico. In de uitspraak van 29 februari 2012 heeft de Afdeling aangegeven dat de vraag of schade als gevolg van een planologische ontwikkeling tot het normale maatschappelijke risico behoort, moet worden beantwoord met inachtneming van alle van belang zijnde omstandigheden van het geval. Van belang is onder meer of de planologische ontwikkeling als een normale maatschappelijke ontwikkeling kan worden beschouwd waarmee de benadeelde rekening had kunnen houden in die zin dat die ontwikkeling in de lijn der verwachtingen lag, ook al bestond geen concreet zicht op de omvang waarin, de plaats waar en het moment waarop deze ontwikkeling zich zou voordoen. Omstandigheden die in acht worden genomen zijn verder de aard van de maatregel en de aard en de omvang van het daardoor veroorzaakte nadeel.