Luchtkwaliteit van het ‘eigen’ agrarische bedrijf moet toch beoordeeld worden bij de plattelandswoning

Luchtkwaliteit van het ‘eigen’ agrarische bedrijf moet toch beoordeeld worden bij de plattelandswoning

Op 4 februari 2015 (nr. 201306630/5/R3) heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) een uitspraak gedaan waaruit volgt dat de luchtkwaliteit ter plaatse van een (voormalige) agrarische bedrijfswoning die ook door een derde bewoond mag worden – de zogenoemde plattelandswoning – toch beoordeeld moet worden als gevolg van het ‘bijbehorende’ agrarische bedrijf. Op grond van de Wet milieubeheer moet bij besluiten, bijvoorbeeld ter verlening van een omgevingsvergunning voor milieu, de luchtkwaliteit worden beoordeeld. Hiervoor geldt een aantal uitzondering, bijvoorbeeld op de arbeidsplaats. De Afdeling oordeelt dat een plattelandswoning niet als zo’n arbeidsplaats aan te merken is, omdat deze (ook) bewoond mag worden door een derde, door iemand die geen binding met het ‘bijbehorende’ agrarische bedrijf heeft. Om die reden moet ter plaatse van die woning (toch) de luchtkwaliteit als gevolg van het bijbehorende agrarische bedrijf worden beoordeeld. Dat per 1 januari 2013 een wijziging van onder meer de Wabo in werking is getreden (de zogenoemde Wet plattelandswoningen, Stb. 2012, 493) waarin een ander standpunt is neergelegd, doet aan de bepalingen en de verplichtingen uit (artikel 5.19, eerste en tweede lid van) de Wet milieubeheer niets af. Dat betekent dat bij de vaststelling van een bestemmingsplan dat een plattelandswoning mogelijk maakt, of een besluit waarmee van het bestemmingsplan wordt afgeweken ten behoeve van een plattelandswoning, de luchtkwaliteit ter plaatse van deze woning moet worden beoordeeld. Deze woning kan namelijk gevolgen hebben voor de ontwikkelingsmogelijkheden van het agrarische bedrijf.