Hoe zat het ook alweer met de ‘goede procesorde’ in beroepsprocedures? (ontleend aan AB 2011/326 noot B.W.N. de Waard)

1. Standaardmotivering van de Afdeling is dat geen rechtsregel verbiedt dat binnen de door de wet en goede procesorde begrensde mogelijkheden, na afloop van de voor het indienen van beroepsgronden gestelde termijn, alsnog aanvullende gronden kunnen worden aangevoerd. Denk aan nadere jurisprudentie, nadere onderbouwing etc. Dit kan zelfs ter zitting, tenzij de goede procesorde zich daartegen verzet.

Zie Ab 3 februari 2010, JB 2010/67 en Ab 14 april 2009, 200900472/1/V2.

2. Ook nieuwe gronden kunnen in een later stadium na afloop van de termijn voor het indienen van beroepsgronden worden aangevuld: Ab 13 juli 2011, zaaknr. 201003167/1/R2 en Ab 28 september 2011, zaaknr. 201011019/1/R2:

Voor het antwoord op de vraag of de goede procesorde in geding is, is in het algemeen bepalend een afweging van de processuele rechtszekerheid, de proceseconomie, de reden waarom de desbetreffende beroepsgrond pas in een laat stadium is aangevoerd, de mogelijkheid voor de andere partijen om adequaat op die beroepsgronden te reageren en de processuele belangen van de partijen over en weer.

3. Het voorgaande heeft betrekking op het naar voren brengen van nieuwe gronden binnen dezelfde fase van een procedure en moet worden onderscheiden van de vraag of in hoger beroep gronden naar voren mogen worden gebracht die in eerste aanleg nog niet waren aangevoerd. Dit laatste wordt door de Afdeling niet geaccepteerd:

zie bijvoorbeeld: Ab 23 november 2005, AB 2006/3.