Het is nu tijd om werk te maken van de gemeentelijke omgevingsvisie!

Door Frans Tonnaer[1]

Op 21 maart volgend jaar vinden de reguliere gemeenteraadsverkiezingen plaats. Partijen zijn intussen bezig zich daarvoor op te maken. Dat is het goede moment zich af te vragen wat hun bijdrage zal zijn aan de omgevingsvisie die elke gemeente volgens de Omgevingswet moet vaststellen en die logischerwijze voorafgaat aan het omgevingsplan. Wordt het omgevingsbeleid een centraal aandachtspunt bij de komende coalitievorming en de onderhandelingen? Wat zijn de beleidsambities wat betreft de zorg voor de fysieke leefomgeving in de komende raadsperiode? Hoe pakken we de participatie aan? Hoe wordt de balans bepaald tussen ontwikkelen en beschermen? Door het omgevingsvraagstuk hoog op de lokale verkiezingsagenda te plaatsen wordt recht gedaan aan de intentie van de omgevingswetgever om het zwaartepunt bij de vormgeving van het omgevingsbeleid bij de gemeenten te leggen.

Omgevingsvisie en omgevingsplan

De Omgevingswet (Ow) zal naar verwachting in 2019 in werking treden. Een belangrijk beleidsinstrument uit die wet is de omgevingsvisie die op elk bestuursniveau vastgesteld moet worden. Het Rijk en de provincies zijn in het zicht van de nieuwe wet al volop bezig met de voorbereiding van zo’n visie. Al zal er nog de nodige tijd zijn voordat deze door de gemeenten vastgesteld moet zijn, dat wil niet zeggen dat de gemeenten nu rustig kunnen afwachten ‘tot nader order van hogerhand’. In de omgevingsvisie moeten de gemeenten hun integrale beleid in het fysieke domein voor de langere termijn vastleggen, waarbij gedacht wordt aan ten minste één raadsperiode. De visie moet de strategische hoofdkeuzen van het omgevingsbeleid bevatten dat via andere instrumenten gerealiseerd wordt. Een van die instrumenten is het omgevingsplan. Tal van gemeenten zijn al volop bezig om hun bestemmingsplannen uit te bouwen tot een volwaardig omgevingsplan voor hun grondgebied of voorlopig ten minste voor een deel daarvan. En naarmate het tijdstip van de inwerkingtreding van de Omgevingswet dichterbij komt, dringt zich sterker de vraag op of gemeenten nog moeten werken aan actualisering van bestaande plannen, in plaats van direct de stap te zetten naar een – zo mogelijk gefaseerde – invoering van een omgevingsplan. De wetgever verwacht van de gemeenten dat in dat nieuwe omgevingsplan, naast het bestemmingsplan, alle andere regelingen op het terrein van de fysieke leefomgeving worden ondergebracht. Gemeenten hebben vaak tientallen van dergelijke regelingen, die ooit in het leven zijn geroepen met de bedoeling om uiteenlopende uitdagingen op het fysieke domein beleidsmatig het hoofd te bieden. En dan hebben we het niet alleen over de medebewindsregelingen op het terrein van natuur, water, milieu, monumenten, bouwen en erfgoed, maar ook over autonome regelingen voor bijvoorbeeld parkeren, telecommunicatie, terrassen, reclame, ligplaatsen en geur. Het integreren van al die regelingen is dus ook een beleidsintegratie en die kan niet goed aangepakt worden als daar niet een duidelijke beleidsvisie aan ten grondslag ligt. En daarmee is de noodzaak gegeven om vroegtijdig aan een gemeentelijke omgevingsvisie te werken.

Politieke profilering

De periode van voorbereiding op de komende gemeenteraadsverkiezingen is een goed moment om daarmee te starten. Partijen zijn nu bezig zich te bezinnen op politieke profilering voor de komende verkiezingen. En welke gelegenheid is daarvoor geschikter dan de kans om de beleidsambitie te bepalen in het fysieke domein? Wat voor een gemeente willen we zijn? Willen we het momentum van de nieuwe wet en de daaraan gekoppelde visieplicht aangrijpen om vernieuwend te zijn of zelfs onderscheidend ten opzichte van andere gemeenten? Of houden we het toch maar liever wat meer aan de veilige kant met het accent op behoud van het goede? Zetten we in op meer samenwerking met buurgemeenten en ketenpartners of gaan we het karwei op eigen kracht aanpakken? Gebruiken we deze mogelijkheid om opvattingen ‘in het veld’ op te halen of volgen we met standaard-inspraak de belopen paden en versterken we de eerder ingezette beleidsacties? Maar ook meer inhoudelijk: hoe bepalen we de balans tussen de voorgenomen ontwikkeling en de bescherming van het grondgebied tegen de achtergrond van de beschreven gebiedskwaliteiten (art. 3.2 Ow) en welke omgevingskwaliteit willen we in welke delen van het grondgebied van de gemeente realiseren of behouden? Hoe verwerken we de wettelijke milieubeginselen (art. 3.3 Ow) in de omgevingsvisie?

Kader voor omgevingsvisie

Vroeger of later zullen dergelijke vragen aan de orde moeten komen. En hoe eerder men zich in de politieke fora bewust wordt van wat er op dit punt van de gemeenten wordt gevraagd, hoe beter de uitdagingen aangegaan kunnen worden. Uiteindelijk zal de invulling van de beleidsvisie politieke keuzen impliceren. Het is nu de tijd om zich op dat keuzeproces voor te bereiden. De op handen zijnde gemeenteraadsverkiezingen zijn een uitgelezen mogelijkheid om de hierboven genoemde vragen in de verkiezingsprogramma’s aan de orde te stellen, daarbij positie te bepalen en op basis van actuele kwesties algemene lijnen voor de toekomst te trekken. De verkiezingsresultaten vormen dan het noodzakelijke politieke kader en ze markeren het mogelijke startpunt van de voorbereiding van een integrale beleidsvisie voor het fysieke domein. Het is een goede zaak dat het omgevingsbeleid voor de komende raadsperiode een centraal aandachtspunt vormt bij de coalitievorming en bij de besprekingen die in dat verband zullen plaatsvinden. Tenslotte plaatst de Omgevingswet de zorg voor de fysieke leefomgeving niet alleen in het centrum van het gemeentelijke beleidsveld maar beoogt de wetgever met toepassing van het subsidiariteitsbeginsel ook het gemeentelijke omgevingsbeleid een centraal onderdeel te laten zijn van de publieke omgevingszorg in zijn algemeenheid.

[1] Prof. dr. Frans Tonnaer is emeritus hoogleraar Omgevingsrecht en directeur van de Praktijkacademie Omgevingsrecht.