Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan in het kader van de Bestuurlijke lus

Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan in het kader van de Bestuurlijke lus

In het belang van een spoedige beëindiging van een geschil past de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) sinds 1 januari 2010 de zogenoemde ‘bestuurlijke lus’ toe. Op de voet van artikel 46, zesde lid van de Wet op de Raad van State wordt in een tussenuitspraak aangegeven welke gebreken geconstateerd zijn en wordt opgedragen de gebreken in het bestreden besluit te herstellen. Wat betekent dat in geval het geschil ziet op een vaststellingsbesluit van een bestemmingsplan?

De Afdeling kan tijdens een beroepsprocedure de gemeenteraad de gelegenheid geven om een geconstateerde fout of motiveringsgebrek in het besluit te repareren. Geheel vrijwillig is het niet, gezien de Afdeling een ‘opdracht tot herstel’ geeft en geen gelegenheid. Het bestuursorgaan kan zodoende nog bijsturen. Dit kan door het geven van een nadere motivering of door het besluit te wijzigen. In het laatste geval wordt het bestemmingsplan opnieuw vastgesteld (vervangend vaststellingsbesluit). De Afdeling geeft in de tussenuitspraak meestal aan, dat het vervangende besluit niet voorbereid hoeft te worden met afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht. Er hoeft dan geen ontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd te worden. Er kan direct overgegaan worden tot vaststelling, waarna deze aan de Afdeling gezonden moet worden. De Afdeling neemt die reparatie vervolgens mee in zijn oordeel over het beroep en het aangevallen besluit.

Is het daarmee afgehandeld? Hoewel de tussenuitspraak daarover niets vermeldt, moeten vervolgens nog dezelfde handelingen uitgevoerd worden als bij het eerste vaststellingsbesluit. Dat betekent dat artikel 3.8, lid 3 Wet ruimtelijke ordening (Wro) in ieder geval van toepassing is. Er dient dan ook een bekendmaking/publicatie van het nieuwe besluit tot vaststelling geplaatst te worden. Hierin kan aangegeven worden dat het bestemmingsplan opnieuw is vastgesteld als gevolg van een tussenuitspraak van de Afdeling en voorts welke plandelen zijn gewijzigd. Vervolgens dient het bestemmingsplan 6 weken ter inzage gelegd te worden. Vergeet in de publicatie niet een rechtsmiddelenclausule op te nemen, dat belanghebbenden tegen de aangebrachte wijziging(en) beroep kunnen instellen. De kennisgeving dient ook elektronisch verzonden te worden aan de provincie en het rijk indien hun belangen een rol spelen. Indien het nieuwe vaststellingsbesluit een wijziging van de planregels en/of de plankaart inhoudt (ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan) bepaalt artikel 3.8, lid 4 Wro dat het (opnieuw vastgestelde) bestemmingsplan pas na zes weken mag worden bekendgemaakt. Op die manier worden Gedeputeerde Staten en de minister in de gelegenheid gesteld een aanwijzing te geven. Daarna gaat, tenzij een aanwijzing wordt gegeven, de beroepstermijn lopen. In het geval een eerdere bekendmaking toch wenselijk is, kan dit praktisch worden opgelost door Gedeputeerde Staten dan wel de minister te verzoeken of er bezwaren zijn tegen een eerdere bekendmaking. Indien er geen provinciale of rijksbelangen in het geding zijn kunnen zij dan instemmen met een eerdere bekendmaking. Op grond van artikel 3.8, lid 4 Wro dient bij gewijzigde vaststelling tevens het raadsbesluit aan Gedeputeerde Staten en de rijksoverlegpartners (voorheen: inspecteur) toegezonden te worden.

Als laatste nog een aandachtspunt om ook het elektronische dossier bij de Afdeling te actualiseren, door het uploaden van het opnieuw vastgestelde bestemmingsplan. De Afdeling zal hiervoor wel een nieuw wachtwoord moeten toezenden.