De voorwaardelijke verplichting

Het wordt een steeds populairder instrument voor de bestemmingsplanpraktijk: de voorwaardelijke verplichting.  In de uitspraak van 13 februari 2013 (zaaknr. 201111498/1/T1/R4) voorziet de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (verder: de Afdeling) zelfs in de zaak door een voorwaardelijke verplichting voor te schrijven.

 

In het bestemmingsplan “Gieterveen – kampeerterrein Boerendijk” is een recreatieve bestemming toegekend aan de gronden, ten behoeve van een (kleine) camping. Tevens is voorzien in een bedrijfswoning (bestemming “Recreatie – Bedrijfswoning”). Hierover overweegt de Afdeling:

 

10.2. Niet in geschik is dat niet te verwachten is dat de camping een volwaardig inkomen zal genereren en dat de camping vooralsnog dient te worden beschouwd als een nevenactiviteit. Gelet daarop acht de Afdeling het aannemelijk dat het belang van de initiatiefnemer bij de realisatie van het kampeerterrein beperkt is. Onder deze omstandigheden acht de Afdeling de vrees van appellanten, dat na de realisatie van de bedrijfswoning verdere investeringen in het kampeerterrein zullen uitblijven niet zonder grond. Hoewel de raad het gebruik van de bedrijfswoning als burgerwoning niet wil toestaan, is het gelet op het voorgaande niet uitgesloten dat de bedrijfswoning als burgerwoning in gebruik zal worden genomen. Gelet daarop heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling een siutatie met evidente handhavingsrisico’s gecreëerd, nu hij niet heeft zeker gesteld dat met de realisatie van het kampeerterrein is aangevangen alvorens tot de bouw van de bedrijfswoning kan worden overgegaan. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Het betoog slaagt.

 

Een vergaande conclusie. Zeker gezien het betoog van de raad, dat het gebruik als burgerwoning helemaal niet is toegestaan en derhalve handhavend opgetreden kan worden, juist is. De Afdeling herstelt gelukkig het geconstateerde ‘gebrek’, door zelf in de zaak te voorzien: In het plan moet zekergesteld worden, dat de in het plan voorziene bedrijfswoning niet kan worden gerealiseerd voordat een aanvang is gemaakt met de realisatie van de kampeervoorziening. Alleen dan is er sprake van een ‘goede ruimtelijke ordening’.

 

Overigens gaf de Afdeling in een uitspraak van 20 juni 2012 al aan hoe je een voorwaardelijke verplichting kunt verwoorden: ‘Het gebruik van de gronden met de bestemming ‘Wonen’ conform de bestemming is alleen dan toegestaan indien een erfafscheidingsmuur wordt opgericht en in stand gehouden’ (zaaknr. 201009359/1/R3).