De Omgevingswet: meer vrijheid en verantwoordelijkheid voor initiatiefnemers. Over de late zegeningen van de economische crisis.

Door Frans Tonnaer[1]

Bij de stelselherziening rond de komende Omgevingswet is een prominente rol weggelegd voor initiatieven in de fysieke leefomgeving. Vertrouwen van de overheid in initiatiefnemers bij de uitvoering van de wet behoort tot de kernwaarden van de stelselherziening. Dat vertrouwen betekent volgens de memorie van toelichting bij de Omgevingswet dat het nieuwe stelsel uitnodigend moet zijn voor nieuwe initiatieven. Regels moeten waar mogelijk ruimte bieden voor eigen invulling en oplossingen. Het vertrouwensbeginsel zoals dat hier wordt opgevat komt tot uitdrukking in het uitgangspunt dat de initiatiefnemer zelf zo veel mogelijk regie heeft over zijn activiteiten. Daarbij consulteert hij zonodig zelf de omwonenden voordat een aanvraag wordt ingediend en bepaalt de initiatiefnemer – dat kan bijvoorbeeld ook een buurtcomité of een energiecoöperatie zijn – op welk moment en in welke volgorde de plannen aan de overheid ter besluitvorming worden voorgelegd. Op dit punt is de stelselherziening te beschouwen als een verworvenheid van de afgelopen zeven economisch magere jaren. Idee was bij de voorbereiding van de herziening aan het begin van die periode dat de gelegenheid zou moeten worden gebruikt om regels, die de economische ontwikkeling in de weg stonden en waarvan de meerwaarde onduidelijk was, op te ruimen. En ook overigens zou het omvangrijke regelbestand op centraal en decentraal niveau eens kritisch tegen het licht moeten worden gehouden. (lees verder na de afbeelding)

Maar de keerzijde van die grotere vrijheid voor initiatiefnemers is hun grotere verantwoordelijkheid wat betreft de zorg voor de fysieke leefomgeving. Deze verantwoordelijkheid komt prominent tot uitdrukking in de wettelijke zorgplichten en voorzorgplichten en nog sterker in de specifieke (voor)zorgplichten die zijn opgenomen in de concept-uitvoeringsregelingen. Onder omstandigheden kunnen deze specifieke zorgplichten volgens de regering zelfs een verdergaande zorg van de initiatiefnemers vereisen dan het naleven van de regels en de vergunningsvoorschriften. Het is de bedoeling van de regering dat deze zorgplichten niet alleen bestuursrechtelijk maar ook strafrechtelijk gehandhaafd kunnen worden! Hebben we hier te maken met het omgevingsrechtelijke reguleringsinstrument bij uitstek voor de toekomst waarin zowel vrijheid als verantwoordelijkheid wordt uitgedrukt? Tal van vragen dienen zich aan die om een antwoord roepen. Zoals hoe ver kan deze ‘extra-juridische’ zorgplicht gaan, wat is daarbij de rol van het handhavende bestuur en van de toetsende rechter? Is het nodig om beperkende criteria op te nemen? Over dit uitdagende onderwerp is het laatste woord nog lang niet gezegd.

[1] Prof. dr. Frans Tonnaer is emeritus hoogleraar Omgevingsrecht en wetenschappelijk directeur van de Praktijkacademie Omgevingsrecht.