De Omgevingswet, Maslow en vier fasen van cultuurverandering

Door Frans Tonnaer[1]

De kogel is door de kerk: per 1-1-2021 zal het nieuwe stelsel van de Omgevingswet in werking treden. Dat heeft Melanie Schultz van Haegen in haar nadagen als minister van IenM op 6 oktober jl. bekend gemaakt. Ze houdt wel nog een slag om de arm: er zijn onzekerheden zoals de nog te verrichten uitvoeringstoetsen en de adviezen van de Raad van State. En ook kan het samenvallen van de parlementaire behandeling van lopende wetstrajecten met de vorming van een nieuwe Eerste Kamer in 2019 nog roet in het eten gooien.

Aangezien de medeoverheden het voorgenomen moment van inwerkingtreding van 1 januari 2021 ondersteunen, mag ervan worden uitgegaan dat die datum een serieuze optie is, al is die relatief. De minister wijst er terecht op dat omgevingsvisies ook nu al kunnen worden opgesteld. Het Ministerie wil overigens het goede voorbeeld geven door zelf intussen volop te werken aan de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). En ook kunnen de voorbereidingen voor het maken van provinciale omgevingsverordeningen en gemeentelijk omgevingsplannen volgens de minister nu al starten. De totale transitie van regelgeving, overgangsrecht en de veranderopgave (cultuuraspect) zou in 2029 moeten zijn afgerond. In 2024 zou het digitale stelsel (DSO) gereed moeten zijn, zo is eerder aangegeven. Dit roept de vraag op of er in het bijna twintigjarige traject vanaf de aankondiging van de stelselwijziging tot de afronding ervan (2010-2029) geen fasen zijn te onderscheiden die enige structuur in dat proces kunnen aanbrengen en daarmee een overkoepelend houvast voor acties kunnen bieden. In deze bijdrage wordt daar een voorzet voor gedaan op basis van de zogenoemde ‘Leerfasen van Maslow’: van onbewust onbekwaam naar onbewust bekwaam. Met de gemeenteraadsverkiezingen als ijkpunten voor cultuurverandering.

[1] Prof. dr. Frans Tonnaer is emeritus hoogleraar Omgevingsrecht en directeur van de Praktijkacademie Omgevingsrecht.