De Afdeling hanteert sinds 16 maart 2016 een nieuwe jurisprudentielijn ten aanzien van belanghebbendheid bij omgevingsvergunningen milieu

Op 16 maart 2016 heeft de Afdeling (nr. 201504206/1/A4) een belangrijke uitspraak gedaan ten aanzien van de vraag wanneer bij een procedure omtrent een omgevingsvergunning voor milieuactiviteiten een betrokkene aangemerkt kan worden als belanghebbende zoals bedoeld in artikel 1:2, eerste lid Awb (“degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken”).

De uitspraak van 16 maart 2016 had betrekking op een omgevingsvergunning milieu (op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder e Wabo) voor het attractiepark “Walibi Holland” te Biddinghuizen. Om als belanghebbende in de zin van de Awb te kunnen worden aangemerkt dient een natuurlijk persoon een voldoende objectief bepaalbaar belang bij het besluit te hebben. Volgens de vaste jurisprudentielijn die de Afdeling eerst hanteerde (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 12 februari 2014, nr. 201210530/1/A4) zijn onder meer de eigenaren en bewoners van percelen waarop milieugevolgen van de inrichting kunnen worden ondervonden, belanghebbenden bij het verlenen van een milieuomgevingsvergunning voor die inrichting. Daarbij is niet van belang in welke mate milieugevolgen kunnen worden ondervonden (zie de uitspraak van 12 september 2012, nr. 201103786/1/A4). In de uitspraak van 12 september 2012 oordeelde de Afdeling dat het gegeven dat de milieugevolgen niet noemenswaardig merkbaar zijn niet leidt tot een ander oordeel omdat dit niet een criterium is voor de vraag of iemand belanghebbende is bij een besluit over een milieu(omgevings)vergunning of de handhaving daarvan.

De Afdeling onderzoekt in de uitspraak van 16 maart 2016 hoe de kwalificatie of iemand al dan niet een belanghebbende is in haar jurisprudentie wordt toegepast ten aanzien van evenementenvergunningen en bij procedures omtrent de vaststelling van bestemmingsplannen (waar sprake is van hinder veroorzakende bestemmingen).

Ten aanzien van een evenementenvergunning voor een popfestival heeft de Afdeling in de uitspraak van 22 oktober 2014 (nr. 201402260/1/A3) overwogen dat appellante geen belanghebbende is nu niet aannemelijk is dat zij, naar objectieve maatstaven gemeten, als gevolg van het popfestival hinder van enige betekenis ondervindt. Appellante wordt dan ook niet geraakt in een objectief bepaalbaar belang dat rechtstreeks bij het besluit tot vergunningverlening is betrokken.

Ten aanzien van de vaststelling van een bestemmingsplan hanteert de Afdeling in voorkomende gevallen eveneens het criterium dat, voor zover de belanghebbendheid wordt ontleend aan hinder vanwege in het bestemmingsplan toegestane activiteiten, de betrokkene aannemelijk moet maken dat hij, naar objectieve maatstaven gemeten, hinder/gevolgen van enige betekenis ondervindt. Zie de uitspraak van 10 december 2014, nr. 201308511/1/R4.

Bij procedures omtrent evenementenvergunningen en bij bestemmingsplannen moet de betrokkene derhalve aannemelijk maken dat hij naar objectieve maatstaven gemeten hinder/gevolgen van enige betekenis ondervindt. Bij de milieu-omgevingsvergunning was dit niet de lijn die de Afdeling volgde.

De Afdeling ziet uit een oogpunt van eenvormige toepassing van artikel 1:2 Awb in vergelijkbare situaties aanleiding om bij de bepaling van de belanghebbendheid bij milieuomgevingsvergunningen aan te sluiten bij de hierboven genoemde uitspraken van 22 oktober 2014 en 10 december 2014. Er is immers geen reden een onderscheid te maken bij de bepaling van de kring van belanghebbenden indien het gaat om de gevolgen van het verlenen van een evenementenvergunning, de vaststelling van een bestemmingsplan of het verlenen van een milieuomgevingsvergunning. Dit betekent dat voor de belanghebbendheid bij een milieuomgevingsvergunning aannemelijk moet zijn dat ter plaatse van de woning of het perceel van de betrokkene gevolgen van enige betekenis kunnen worden ondervonden. De Afdeling komt hiermee terug van de hierboven genoemde uitspraak van 12 september 2012.

In de uitspraak van 16 maart 2016 was appellant woonachtig op circa 5 kilometer van de inrichting. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij, naar objectieve maatstaven gemeten, als gevolg van de verleende vergunning hinder van enige betekenis ondervindt. Appellant is derhalve géén belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2 Awb.

Heeft u behoefte aan advies ten aanzien van de vraag of een bepaalde partij aangemerkt kan worden als belanghebbende of heeft u vragen ten aanzien van omgevingsvergunningen voor milieuactiviteiten? Neem dan contact op met mr. Yuval Schönfeld (tel. nr. 040-257 13 36)