Bewijs dat een brief verzonden is door een bestuursorgaan

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft op 7 maart 2012 een interessante uitspraak gedaan met betrekking tot de bewijslast van de daadwerkelijke verzending van een schrijven. De hoogste bestuursrechters hanteren allen als uitgangspunt dat, in het geval van niet aangetekende verzending van een besluit of een ander belangrijk document, het bestuursorgaan aannemelijk dient te maken dat het desbetreffende stuk is verzonden. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd, rechtvaardigt het vermoeden van ontvangst van het besluit of ander relevant document op dat adres. Dit brengt mee dat het bestuursorgaan in eerste instantie kan volstaan met het aannemelijk maken van verzending naar het juiste adres. Indien het bestuursorgaan de verzending naar het juiste adres aannemelijk heeft gemaakt, ligt het vervolgens op de weg van de geadresseerde om voormeld vermoeden te ontzenuwen. Hiertoe dient de geadresseerde feiten te stellen op grond waarvan de ontvangst redelijkerwijs kan worden betwijfeld. Met het plaatsen van een verzendstempel is slechts aannemelijk dat de brief de behandelende afdeling heeft verlaten. Met het invoeren van een datum is echter niet aannemelijk gemaakt dat de brief daadwerkelijk via de postkamer het bestuursorgaan heeft verlaten en naar het postadres van appellant is verzonden. Omdat op de plek waar de daadwerkelijke verzending naar buiten plaatsvindt, in dit geval de postkamer, géén registratie heeft plaatsgevonden van de verzending naar het postadres van appellant, heeft het bestuursorgaan niet aannemelijk gemaakt dat de brief is verzonden naar dit postadres.

Zie: Ab 7 maart 2012, 201106169/1/V6